Liekerair

(omdat ‘literair’ wellicht wat pretentieus is)

Liekerair header image 1

Sinterklaas

december 4th, 2009 · No Comments

Momenteel weet ik nog goed waar ik me bevond toen ik hoorde dat Ramses Shaffy overleden was: in de bus van de universiteit naar het station, waar een groot videoscherm hangt met het laatste nieuws erop. Toen daarop een grote afbeelding getoond werd van de man die de laatste jaren vaker in één adem genoemd werd met Liesbeth List dan dat hij in zijn eentje in het nieuws was, leek de boodschap me duidelijk: de beste man was echt niet op dat videoscherm te zien omdat hij een wereldreis per zeilboot ging maken of omdat hij zou gaan deelnemen aan Hole in the Wall.  
   Als ik dit bovenstaande zojuist niet opgeschreven had, zou ik het ook binnen afzienbare tijd weer vergeten zijn. Wat valt er dan wél in de categorie van gebeurtenissen waarop ik altijd het antwoord op de vraag ‘waar was jij…?’ zou kunnen geven?
   Als elfjarige kwam ik op een dinsdagmiddag in september om 15:00 uit school en constateerde dat mijn moeder voor de televisie ingespannen zat te kijken naar een film met vliegtuigjes en grote gebouwen. Een paar jaar later kwam ik begin november als derdeklasser mijn lokaal Nederlands in om van de anders zo strak in zijn lesprogramma zittende docent een half uur lang een verhaal te horen over iemand (een schilder? Ik kende hem alleen uit de parodieën van Kopspijkers) die op die ochtend vermoord was in Amsterdam. En jaren eerder, toen ik in groep vijf van de basisschool zat, was ik aanvankelijk nog trots toen ik nog even beneden op de bank mocht blijven zitten terwijl mijn broertje al naar bed moest.
   Ik zat dus op de bank en mijn moeder sloot de gordijnen. Eerst de rechtse, toen de linker. Waar mijn vader was, weet ik niet meer – misschien zag hij aankomen dat dit voor mij een traumatische jeugdervaring ging worden. Ik vraag me af hoe mijn ouders  besloten hebben op welke manier ze me dit gingen vertellen. Mijn moeder deed het uiteindelijk zo, ze gooide het op mijn eigen intelligentie: “Lieke, hoe oud denk je eigenlijk dat mensen kunnen worden?” Ik vond dat een lastige en domme vraag, je kunt toch nooit weten hoe oud mensen worden. Maar honderd leek me echt het maximum.
“En hoe oud denk je dat Sinterklaas is?” was de vervolgvraag.
   Ik heb lopen janken als een klein kind – wat ik toen natuurlijk eigenlijk ook nog was - niet puur vanwege het feit dat Sinterklaas niet echt was, maar omdat de hele wereld me zomaar had kunnen belazeren. Waar ik bij stond. Onder mijn neus. Sterker nog: mijn eigen vader en moeder hadden mij belazerd! (Toegegeven, belazeren uit liefde is misschien geen ernstig vergrijp. Stel je voor dat ze me nooit hadden belazerd. Dan was ik het enige verbitterde Nederlandse kind geweest dat nooit in Sinterklaas geloofd had.)
   Stukje bij beetje begonnen alle puzzelstukjes in elkaar te vallen. Toch typisch dat de pieten op een avond de berg cadeautjes voor de deur hadden gezet in onze eigen, felrode wasmand (waar was de was trouwens gebleven?) Vreemd eigenlijk, dat mijn broertje en ik op een andere Sinterklaasavond een blokje om moesten gaan lopen met mijn moeder en een tante, zogenaamd om pieten te kunnen spotten op de daken – toen we terugkwamen hadden ze onze zoldertrap al belegd met cadeautjes. Apart, dat één van de pieten bij het bezoek van de Sint aan ons dorp mijn vader zo amicaal had begroet met “Heeee Joep!” Dat ik  dat allemaal al die tijd niet had gezien! Of ja, strikt genomen had ik het juist wél allemaal gezien - ik had het allemaal gezien, maar niet begrepen.
   Sindsdien verwacht ik eigenlijk ieder moment iemand die me komt vertellen, precies zoals mijn moeder me ooit een avond langer op liet blijven en de gordijnen sloot, dat eigenlijk mijn hele leven niet bestaat. Voor wie de film The Truman Show niet gezien heeft, is dit misschien lastig voor te stellen. Over films gesproken, volgens Alles is liefde is liefde net als Sinterklaas. Ik hoop niet dat dit betekent, dat het allemaal draait om belazeren en belazerd worden.

→ No CommentsTags: Zonder rubriek

Tweemaal daags

november 13th, 2009 · 5 Comments

Misschien is het mijn hypochondrische aanleg, maar de laatste tijd begin ik sterk te vermoeden dat ik ergens aan lijd. Je kunt het weglachen, of zeggen dat het niet bestaat, maar ik zal het jullie uitleggen. Het heeft vooralsnog geen plaats in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, maar wie weet hoe snel het erkend zal worden zodra ik als eerste uitgekomen ben voor mijn aandoening.  Ik lijd aan lyrisch-chagrijnigheid.
   ’s Ochtends begint het nog gewoon met onvervalst puur chagrijn. Een beetje wiskundige zal ongetwijfeld een intelligente formule op kunnen stellen om de correlatie aan te geven tussen het tijdstip waarop mijn wekkerradio aanspringt en de mate waarin ik niet te genieten ben. Andere factoren spelen ook nog een rol: zo wordt het er allemaal niet beter op als ik beneden bij de broodtrommel een lege zak of een nog keihard bevroren brood aantref, en een nog half uit de brievenbus stekende natgeregende krant is tevens niet goed voor mijn humeur. De grootste aanslag op mijn gemoed vindt echter vaak plaats op het moment dat ik mijn tanden moet gaan poetsen.
   Ik heb een elektrische tandenborstel en wil nog wel eens vergeten het ding bijtijds zijn shotje stroom toe te dienen, dus het komt om de haverklap voor dat na anderhalve minuut poetsen het rondtollende borsteltje, wanneer ik het net dirigeer naar het laatste stukje van mijn gebit dat zijn tweemaaldaagse dosis Parodontax nog moet ontvangen, langzaamaan vaart mindert en uiteindelijk geheel tot stilstand komt. Dit leeglopen van de batterij gebeurt op zeer tragische wijze: mijn tandenborstel wekt zó erg de indruk volledig uitgeput te zijn, dat ik er haast medelijden mee begin te krijgen. Ik ga me schuldig voelen dat ik hem tot aan het eind van zijn krachten gebracht heb. Maar dan, als ik hem uit zet, begint hij een volle halve minuut luid te piepen en met een lichtje te knipperen om mij te laten weten dat-ie opgeladen moet worden.  Dat onding heeft dus nog gewoon de puf om zich voor te doen als  een luidruchtige kermisattractie,  maar vertikt het om mijn laatste paar kiezen te poetsen. Op zo’n moment heeft mijn chagrijnigheid het dieptepunt bereikt.
   Dit alles valt nog af te doen als een ochtendhumeur, maar laat ik nu tot de kern van mijn lyrisch-chagrijnigheid komen. De grote grap is dat mijn humeur plotsklaps kan omslaan. In de trein naar Nijmegen luister ik een goede cd en ik ben lyrisch. We staan tien minuten stil in een troosteloos weiland ter hoogte van Ravenstein en ik ben weer chagrijnig. Omdat ik weet dat ik niet vrolijk word van de bussen naar de universiteit, als veewagens volgeladen met massa’s Mexicaanse griepverspreidende, voordringende, vervelende studenten, wil ik ook wel eens de Veolia-trein naar station Heyendaal nemen en dat maakt mijn dag dan weer op slag zonniger: de treinen zijn aan de buitenkant beschilderd met de hoofden van bekende Limburgers. Niet dat de aanblik van Connie Palmen nou zo oppeppend werkt, maar als ik het gezicht van de immer vrolijke Gé Reinders aantref op het vervoermiddel, ben ik weer op slag lyrisch. Sowieso maken deze treinen mij opgewekter: in plaats van de in NS-treinen gebruikelijke krakende conducteursstem, is het bij Veolia een – weliswaar voorgeprogrammeerde, maar dat mag de pret niet drukken – glasheldere  vrouwenstem die het volgende station noemt en bovendien zelfs nog even uitlegt aan welke kant je uit moet stappen. Fantastisch toch! Eenmaal uitgestapt moet ik me een weg gaan banen langs de opengebroken wegen en de modderpoelen die het Erasmusgebouw omringen en ik ben weer chagrijnig.
   Zo gaat het de hele dag door. De grote vraag is altijd of ik mijn dag lyrisch of chagrijnig beëindig. Kenmerk van lyrisch-chagrijnigheid is dat het onmogelijk te voorspellen valt. Soms lijkt alles erop te wijzen dat een lyrische stemming een tijdje vastgehouden kan worden: gisteravond moest ik na een etentje van Nijmegen terug naar Rosmalen en mijn humeur leek redelijk stabiel. Het was jammer dat ik niet naar de wc hoefde, het toilet op het Nijmeegse station staat namelijk altijd garant voor een extra dosis lyrische gevoelens. (Wie er nog nooit geweest is, moet dat zo snel mogelijk doen. Echt waar. Het is geen stationstoilet zoals alle anderen, het is een schitterend museum, en dat voor een toegangsprijs van slechts vijftig cent! Je weet niet wat je ziet. Boeddhabeelden, kaarsjes, en een rijke verzameling kitsch en prullaria. Dus, waar ga je heen als je ooit op Nijmegen Centraal bent? Juist, doen!)
   Enfin, ik was dus bezig met naar huis gaan. De trein had geen vertraging. Op de fiets naar huis werd ik niet aangehouden wegens gebrek aan achterlicht en evenmin aangereden wegens datzelfde gebrek. Mijn dag zou lyrisch eindigen, ik wist het zeker. Wat ik toen nog niet wist en waar ik pas achter zou komen op het moment dat ik vlak voor het slapengaan de badkamer zou betreden, is dat ik die ochtend in mijn chagrijn vergeten was om mijn piepende en knipperende tandenborstel aan de stroom te hangen.

→ 5 CommentsTags: Zonder rubriek