“Ik moet er even iemand bij gaan bellen,” zei de inmiddels behoorlijk chagrijnig kijkende portier van het Erasmus gebouw me, “ja, ik moet iemand gaan bellen.” Ik had het behoorlijk verprutst. De portier beende richting telefoon en ik schuifelde er voorzichtig achteraan. Mijn college zou bijna beginnen maar ik bleef een beetje bedremmeld bij de man in de buurt, omdat ik verwachtte dat hij mijn naam, of nee, mijn studentnummer zou willen noteren om straks, wanneer zou blijken dat ik het definitief naar zijn grootje geholpen had, de kosten voor een nieuw kopieerapparaat op mij te verhalen.
Ik weet het nu zeker: voortaan schrijf ik liever nog een heel boek met de hand over dan dat ik een poging moet doen om het door middel van een kopieerapparaat te dupliceren. Het kopieerapparaat is werkelijk het meest vreselijke, ingewikkelde, onbegrijpelijke, ellendige elektrische onding dat ik ken. Kijk, aan míj ligt het niet: met een scanner kan ik prima uit de voeten, een printer kent voor mij ook geen geheimen, maar op een of andere manier gaat het toestel dat scannen en printen combineert mijn digitale pet te boven. Al heb ik sinds ik studeer mijn kopieervaardigheden wel een klein beetje ontwikkeld. Zo heb ik geleerd waar de knop zit om dubbelzijdig te kopiëren en ben ik erachter dat je, wanneer je een hele stapel te kopiëren materiaal hebt, dit niet blaadje voor blaadje onder de klep van het apparaat hoeft te leggen en keer op keer op de grote groene knop hoeft te drukken, maar dat de hele handel bovenin geschoven kan worden en dat het apparaat dan de rest doet. (Hier kwam ik achter nadat ik een A4′tje of vijftig stuk voor stuk gekopieerd had en me afvroeg waarom wachtende studenten in de kopieerruimte me aankeken op de manier waarop ik kijk naar mensen vóór me in de rij bij de supermarktkassa die alle producten uit hun overvolle winkelwagentje één voor één op zeer trage wijze de lopende band op laden. En dat terwijl ik alleen maar een diepvriespizza af te rekenen heb.)
Als het even kan, vermijd ik het kopieerapparaat dus. Ook op het werk. Als er in de bieb iemand naar me toe komt, een lotgenoot, een arme ziel die ook niet weet hoe te fotokopiëren, dan roep ik er zo snel mogelijk een collega bij en maak ik dat ik weg kom uit de buurt van dat onding. Helaas blijkt dat er op de universiteit een hoop gekopieerd moet worden. Op de middelbare school maakte ik alleen bij hoge uitzondering gebruik van het enige kopieerapparaat voor leerlingen, gemiddeld misschien één keer per jaar, als er een proefwerk uitgelekt was of ik een of ander formulier kwijtgeraakt was. Maar je kunt je niet door de universiteit begeven of je komt wel zo’n eng apparaat tegen, het een nog kolossaler en multifunctioneler dan het andere, en dat is niet voor niks: er wordt wat afgekopieerd. Op de ochtend dat ik voorgoed besloot nooit meer een kopieerapparaat aan te raken, liep ik nog vol optimisme met een stapeltje van een studiegenoot geleende aantekeningen literatuurwetenschap in de hand op het eerste beste kopieerapparaat af. Vlak voor mijn college begon kon ik de boel nog wel even kopiëren, ik kende immers inmiddels de grote truc voor snel kopiëren: stapeltje bovenin schuiven, een druk op de knop, en voilà, het apparaat tovert identieke exemplaren tevoorschijn voor je. Alleen had niemand mij ooit verteld dat die truc misschien niet op zou kunnen gaan voor flinterdunne collegeblokblaadjes met gaatjes in de zijkant. Anderhalf uur aan college was net door het apparaat gehaald toen het mis ging: er begon iets te piepen, een lichtje begon te knipperen, “PAPIER VAST, OPEN KLEP” verscheen op het display. Ik opende de klep. Geen papier te zien. Goed, bij nadere bestudering: één vierkante centimeter papier te zien, een heel klein hoekje. Ik wierp alvast angstig een blik in de richting van de portier. Alleen al de functietitel, ‘portier’, zo iemand spreek je toch minder makkelijk aan dan een conciërge die gewoon ‘Henk’ genoemd mag worden.
Toch maar de portier erbij. “Meneer…” piepte ik voorzichtig “ik geloof, euhm…dat het kopieerapparaat de aantekeningen van mijn studiegenoot min of meer…opgegeten heeft.” Dat was het goede woord, opgegeten. Al was ‘verslinden’ ook geen gek werkwoord geweest. De aantekeningen over Dante en zijn divina commedia waren met huid en haar verslonden en het gulzige apparaat had er duidelijk een flinke buikpijn aan over gehouden, want het reageerde nergens meer op. Zo’n goddelijke komedie vond ik dit niet meer, de ochtend kreeg een tragische wending toen de portier na tien minuten het apparaat nog steeds niet aan de praat had gekregen. Ik was intussen behoorlijk aan het zweten en hoopte vurig dat de portier niet zou gaan zeggen…“Ik moet er even iemand bij gaan bellen,” zei de inmiddels behoorlijk chagrijnig kijkende portier van het Erasmus gebouw me, “ja, ik moet iemand gaan bellen.”
Op weg naar mijn college vroeg ik me af hoe ik dit in vredesnaam moest uitleggen aan de eigenaresse van de aantekeningen. En hoe lang het zou gaan duren voordat er een opsporingsbericht uit zou gaan om mij, sloper van het kopieerapparaat, te vinden. Mocht iemand een goede kopieerhandleiding voor me hebben, een boek als kopiëren voor dummies, dan zou ik het graag lenen om het te…om het met de hand over te schrijven.
Kopiefobie
april 22nd, 2009 · 3 Comments
Tags: Zonder rubriek


3 responses so far ↓
1 Vincent // Mei 3, 2009 at 17:31
Tof geschreven.. heel erg ‘beeldend’, ik kan me precies voorstellen hoe je je gevoeld moet hebben en hoe alles er uit zag.. leuk !
2 kitty // Mei 4, 2009 at 16:14
en wat dacht je van zelf aantekeningen maken, ge zij toch een vlijtige student?!
3 Karin // Mei 6, 2009 at 19:59
Haha, ik ken de problematiek met kopieerapparaten in het Erasmusgebouw… ik word altijd net zo rood als dat lampje als het weer misgaat
Leuk geschreven!
Leave a Comment