Ondanks dat ik drie jaar geleden bij mijn eerste bezoek aan Rome niet mijn halve portemonnee aan kleingeld over mijn schouder in een fontein geflikkerd heb opdat ik ooit in de Italiaanse hoofdstad zou terugkeren, mocht ik de afgelopen week het idyllische Rosmalen verruilen voor die stad vol zuilen, bogen, fonteinen en obelisken. Aan de stad zelf is er in de drie jaar sinds mijn laatste bezoek niet veel veranderd: het Pantheon staat er nog steeds en ook het Colosseum is niet van plek veranderd. De omstandigheden waren echter anders. Waar ik eerst nog vierentwintig uur in een wel erg knusse bus moest doorbrengen met mensen die ik al vijf jaar kende, stapte ik ditmaal in een vliegtuig met een handjevol studiegenoten, enkele collegezaalkennissen, en voor het grootste deel volslagen onbekenden.
Waar ik dit reisje aan te danken had? Het was onderdeel van een soort, hoe zal ik het zeggen, programma voor uitslovers bij letterenstudies. Bij de opening van deze zogenoemde Honours Academy meldde de rector dat ik en mijn drieëntwintig Romereisgenoten behoren tot de ‘paradepaardjes van de academische gemeenschap’. Poe. Zolang er geen zadel op mijn rug gemonteerd wordt, vind ik het best.
‘Exchanging excellence’ is de studiebollenslogan die gedrukt stond op het label van de universiteit dat ik om mijn koffer moest doen, dus wanneer het al hinnikend en galopperend imiteren van lastdieren zijn effect begon te verliezen, bood die spreuk wel genoeg gelegenheid tot flauwigheid. Excellente alcoholisten, excellente overdrijvers, excellente laatkomers, we hadden ze allemaal in ons midden.
Enfin, het gezelschap was anders dus, maar ook ikzelf ben anders ten opzichte van drie jaar geleden. Zo kan ik nu voortreffelijk kaartlezen, heeft mijn kennis van het Italiaans zich uitgebreid na het zien van Inglourious Basterds en heb ik een breed scala aan technieken ontwikkeld om straatverkoperstuig en ander schorriemorrie te ontwijken (waar het al wel niet goed voor is, jezelf iedere zaterdagochtend tussen het winkelend gepeupel door een weg moeten banen naar het werk).
Er is echter iets wat ik nog steeds niet kan. Zelfs nu ik over een maand het zo vertrouwde ‘-tien’ in mijn leeftijd verlies en ik rijp ben voor een twintigerscrisis, heb ik het nog steeds niet onder de knie. Nooit heb ik het gekund, en ik betwijfel of ik het ooit nog zal kunnen: al zo’n vijftien jaar geleden stagneerde de ontwikkeling van mijn vaardigheid om ijsjes te eten.
Het begon nog wel voorspoedig, in mijn week in Rome. Op de eerste dag nam ik een uiteraard veel te snel smeltend aardbeienijsje dat weliswaar veel rare capriolen van mijn tong vergde om het in de hand te houden, maar het merendeel van het ijs wist ik toch in mijn mond te laten verdwijnen in plaats van het op de gebruikelijke weinig charmante wijze over mijn ganse gezicht te smeren.
Met moed gevoed door deze triomf waagde ik me een paar dagen later aan een berg chocolade-ijs op een hoorntje die de verkleinvorm ‘ijsje’ een ironisch woord maakte. Als dit een ijsje was, is de Sint Pieter een kerkje en de villa van Mussolini een bescheiden appartementje. Viermaal had de ijsjuffrouw haar gigantische schep in de bak chocola gestoken, en dat terwijl ik om één bolletje had gevraagd – wellicht toch maar eens een beetje Italiaans bijspijkeren. Wanneer de ijsbollen al vervaarlijk wankelen op het hoorntje op het moment dat je het aanreikt krijgt, dan weet je: dit wordt een ramp als het gaat smelten.
Vijf minuten bleven we staan en had ik rustig de tijd om de situatie te overzien en een plan van aanpak te verzinnen. De tactiek zou bestaan uit een afwisseling van likken rond de rand van het hoorntje, om de smeltende chocola weg te werken, en flinke happen van bovenaf, om te zorgen dat er steeds minder zou overblijven om überhaupt nog te smelten. Helaas kwamen mijn medeparadepaardjes toen op het idee om koers richting de metro te gaan zetten. De met drukke steden bekende lezer weet de toestand gelijk al in te schatten: het vinden van de weg naar de metro in al het gekrioel van mensen vereist aandacht, aandacht die ergens anders van ten koste moet gaan. Één keer raden waarvan.
Voor ik het wist zag heel het hoorntje al chocoladebruin. In een uiterste poging de boel nog te redden probeerde ik een zo groot mogelijke hap te nemen van het inmiddels compleet zacht geworden ijs, wat erin resulteerde dat het nu van mijn neus tot aan mijn kin kwam te zitten. Het was niet meer te redden. Met pijn in mijn hart moest ik het ijsje opgeven: de prullenbak was zijn lot. Laat er nou net geen prullenbak te bekennen zijn.
Het begon over mijn hand te lopen, op mijn broek te druppen, mijn witte schoenen. Onderaan de torenhoge stationstrap die we af moesten, zou vast wel een prullenbak zijn. Ik haalde diep adem, bad dat mijn reisgenoten in hun lachstuip geen kans zouden zien om deze klerezooi met camera’s te vereeuwigen en zette de eindsprint van de trap in op een wijze waarbij als achtergrondmuziek de tune van Peppi en Kokki niet had misstaan. Toet toet, boing boing.
Pas in het hotel kon ik de chocoladesmurrie goed wegboenen en voor de spiegel in de badkamer gaf ik het voor eens en voor altijd aan mezelf toe: ik zal het nooit worden, een excellente ijseter.

bijna vier bijna twintig


5 responses so far ↓
1 Iris // Okt 18, 2009 at 14:25
Hulde :D.
Weet ik gelijk ook weer dat jij een beetje populair loopt te doen op de uni!
2 Corine // Okt 18, 2009 at 16:33
En daarom eet ik altijd milkshakes.
3 Manouk // Okt 18, 2009 at 17:28
Er zijn misschien geen foto’s, maar het beeld van jouw besmeurde snoet en je peppi en kokki loopje krijg ik nooit meer van mijn netvlies
4 Margreet // Okt 19, 2009 at 13:00
5 Anique // Okt 21, 2009 at 10:13
Ach, die twintiger crisis valt wel mee joh.
Ijsjes eten daarentegen, daar vrees ik van dat dat toch een kunst is die in de jonge jaren geleerd en geperfectioneerd moet worden.
Leave a Comment