Ieder zo zijn rare materialistische hobby’s. Zo ken ik iemand met niet minder dan vijftig paar schoenen en iemand met een collectie volle sangriaflessen. Er schijnen ook nog steeds mensen te zijn die theelepeltjes, modelbouwtreintjes of postzegels verzamelen. En ik, ik heb een cd- en boekentik. Een redelijk maatschappelijk geaccepteerd verschijnsel overigens, dat wel. Eens in de zoveel tijd móét ik voor mijn gemoedsrust op pad om rond te zwerven in een liefst tweedehands, zo muffig ruikend mogelijk zaakje. Deze drang wordt versterkt wanneer mijn door kerstgratificatie en verjaardagsgeld gespekte portemonnee ondanks de vrieskou brandt in mijn zak.
Dus glibberde ik vandaag naar het station voor een tochtje richting Amsterdam. Na drie bijna-botbreukervaringen bereikte ik het perron waar die nasale ns-stem net door de stationsspeakers herhaalde dat het door de weersomstandigheden glad kan zijn. Of ik daar rekening mee wil houden bij het in- en uitstappen. Dank u, beste omroeper, ik was er nog niet achter dat het glad was. Deze waarschuwing was nog amper weggegalmd of er volgde weer een mededeling. Twintig minuten vertraging. NS zet bussen noch warme chocolademelk in.
Om twaalf uur precies breekt de oorlog uit. Loeiend luchtalarm. Dit is het einde dus. In de 4e klas las ik voor Nederlands een verhaal over een jongen die buiten in de sneeuw loopt, en die sneeuw blijkt dan radioactieve rotzooi te zijn. Hoe het verhaal heette of wie de schrijver was, is me ontschoten, maar nu moet zo ongeveer hetzelfde aan de hand zijn. Om me heen echter geen paniek. Mijn geshuffelde iPod springt op Bram Vermeulen. “En als op maandagochtend, de eerste van de maand, om twaalf uur precies al de sirenes gaan. Dan is er niemand hier die één seconde denkt dat nou de oorlog is begonnen.” Helemaal niemand, behalve Sukkel von Berg, behalve Liek Paniek die al minstens twee jaar lang klaagt dat ze de sirenes nooit hoort, en er nu van schrikt.
Er was nog steeds geen trein. Ik besloot om mijn treinreis te halveren en in Utrecht uit te stappen, dat verkleint het risico om onderweg ergens vast te vriezen met vijftig procent. Aangekomen in de stad van Ingmar Heytze en Martin Bril smeet ik mijn geld zorgvuldig over de balk. Ik besef goed dat niet december maar januari de duurste maand van het jaar is – mijn agenda telt de meeste verjaardagen in januari. Dit loopt zo uit de klauwen dat ik momenteel serieus overweeg om alleen nog maar vriendschappen te sluiten met personen die kunnen aantonen ergens tussen februari en december geboren te zijn. Het spijt me zeer, januari-jarigen ontmoet ik liever niet meer.
Als voorzorgsmaatregel besloot ik dus om geen cd-winkel aan te doen vandaag. Ik stond mezelf toe even naar binnen te glippen bij de dvd-afdeling van Boudisque om te kijken of er iets te vinden viel van mijn jongste oude held Woody Allen, maar geen Plato of Plaatboef voor mij vandaag. Het hoekje om naar De Slegte, maar tot daar en niet verder om te voorkomen dat ik mijn nieuwe aankopen alleen nog naar huis zou kunnen vervoeren per arrenslee.
Om de arme lezer niet te vermoeien met mijn literaire overpeinzingen maken we een tijdsprong naar het moment waarop ik aan de kassa sta, tegenover een meisje dat overduidelijk óf nog niet zo lang in dienst is óf niet zo lang meer in dienst zal zijn. Ik moet haar de prijzen op de boeken aanwijzen. Ze staart me een tijdje aan. Juist wanneer ik een chagrijnige blik op haar afvuur omdat ze al vijf minuten bezig is een beschermend papiertje om mijn boeken heen te vouwen, zegt ze het. “Jij bent het zusje van Charlie, toch?”
Ja! Ik dacht al dat jij het was. Ik moest nog de groeten doen van Charlie. Lang niet gezien zeg. Je werkt hier nog niet zo lang, toch? Dat zeg ik niet. Ik zeg “Nee. Dankjewel. Houdoe,” waardoor ik mezelf weer verraad als lompe Brabander. Ik ken niet eens iemand die Charlie heet. Het is een rare naam, Charlie. Charlie Chaplin, Checkpoint Charlie, Charlie Brown, Charlie’s Angels, Charlie van de chocoladefabriek, die ken ik. Maar verder ken ik geen Charlie. Volgens mij zijn er geen echte mensen die Charlie heten.
Eenmaal terug in Rosmalen moet ik, naast oppassen voor uitglijden, ook nog eens uitkijken dat ik alle net van les verloste basisschoolkinderen keurig ontwijk. Een klein etterbakje, een gangster in de dop, staat midden op het fietspad een hoop sneeuw bijeen te persen tot een bal. In zijn ogen zie je dat hij onschuldige voorbijgangers wil bekogelen. Laat dat, denk ik. Hij laat het. Misschien komt dat ook niet door mijn telepathisch verzonden bevel; achter me krijst een moeder hetzelfde. “LAAT DAT!” Ik veronderstel dat ze de moeder van het joch is. Maar ze kan ook het baasje zijn van de hond die even verderop dollend rondrolt in de sneeuw. Hij stopt er niet mee. “LAAT DAT, CHARLIE!” Zowel het kind als de hond stoppen met hun ijskoude ongein. Wie van de twee nou Charlie heet, weet ik niet. Ik weet ook niet meer hoeveel waarheid er schuilt in mijn gedachte dat alleen komieken met bolhoedjes Charlie heten. Ik weet wel dat ik, mocht ik later een kind of een ander huisdier krijgen, hem of haar nooit of te nimmer zal opzadelen met de naam Charlie. Laat staan dat Charlie een zusje krijgt.
Het zusje van Charlie
januari 5th, 2009 · No Comments
Tags: Zonder rubriek


0 responses so far ↓
There are no comments yet...Kick things off by filling out the form below.
Leave a Comment