Laten we niet te moeilijk doen door een ellenlange omschrijving van datum, tijdstip, weersomstandigheden, treincoupénummer en bestemming te geven: ik zit gewoon in de trein. Uit de oordoppen van mijn iPod klinkt, op een bescheiden geluidsniveau, een cd van Bram Vermeulen over een man die in de trein naar Den Haag zit. Niks denken niks moeten niks willen niks bewegen niks doen, laat gaan, laat gaan. (Voor de goede orde, Bram Vermeulen was een muzikant – mocht u nu de indruk gekregen hebben dat hij een befaamd meditatiegoeroe is.)
Ik lig lekker met mijn ogen dicht naar de muziek te luisteren als mijn toch welhaast meditatieve toestand ruw verstoord wordt door ander, onheilspellend geluid: op de stoelen achter mij zitten twee mannen die indien gewenst beschreven zouden kunnen worden met een reeks weinig welvoeglijke bijvoeglijk naamwoorden, en één van die twee dikke onwelriekende mannen van middelbare leeftijd heeft zijn telefoon of een daarop gelijkend apparaat tevoorschijn getoverd en laat nu naar ik meen Van Dik Hout door de eersteklas coupé schallen - maar het kan ook andere Nederlandstalige dertien in een dozijn-troep wezen. Op de twee dikke onwelriekende mannen van middelbare leeftijd na, lijkt niemand in de omgeving dit een verrijking van de reis te vinden. Dit heeft het duo echter niet in de smiezen.
Rot op, ga weg, rot op, ga weg, zingt Bram intussen. Althans, dat meen ik – het is meer dat ik wéét dat hij dat zingt, want erg veel valt er niet meer van te verstaan, zo luid is de achtergrondmuziek. Na een paar minuten kom ik tot de constatering dat de man in kwestie niet van plan is uit eigen beweging het etaleren van zijn wansmaak te staken. (Bram gaat uit zijn dak. Sodemieter op sodemieter op sodemieter op sodemieter op sodemieter op.) Nou vind ik het, toegegeven, doodeng om mensen aan te spreken, al helemaal vreemde mensen, al helemaal vreemde mensen in de trein, en al helemáál overlast veroorzakende vreemde mensen in de trein, al scheelt het wel dat dit twee uiterlijk volwassen mannen zijn en geen opgeschoten gasten met hun petjes achterstevoren op hun lege hoofden geplant. Desalniettemin kan ik mezelf er niet toe zetten er iets van te zeggen (hoe maak je aan iemand duidelijk dat hij een asociale randdebiel is, zonder zelf asociaal over te komen?) dus besluit ik af te wachten, wellicht zou er toevallig een conducteur passeren die subtiel zou wijzen op het bordje met het verbod luide muziek te spelen.
Die conducteur die komt niet. De andere mensen in de coupé kijken wel geïrriteerd opzij om het geluid te lokaliseren (aan hun blikken zie je dat ze aanvankelijk denken dat het uit mijn mp3-speler komt) maar ondernemen eveneens niets. Maar het kan nog erger, zegt Bram. De voor zijn leeftijd van veel te hippe apparatuur voorziene man schakelt over naar een volgende zeikhit, die ik al snel weet te identificeren - al probeer ik mij hardnekkig te concentreren op mijn eigen muziek, dat kan niet voorkomen dat de klanken van ABBA’s ‘Knowing me, knowing you’ tot me doordringen. Ik werk de hele dag, ik werk de hele nacht en rustig in de trein zitten is er niet eens meer bij. Is het niet treurig? Misschien moet ik vertrekken, ergens anders heen gaan. Las Vegas of Monaco. Een fortuin winnen bij een spelletje, zodat mijn leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Wil niemand me helpen de schaduw die over deze coupé hangt te verjagen? S.O.S! Mensen overal, een sfeer van verwachting hangt in de lucht. Dus ik neem een besluit, er moet een einde aan komen.
In een soort reflex haal ik de doppen uit mijn eigen oren, draai ik me om en zeg op mijn meest sarcastische toon – maar zonder dat dit overhelt naar onbeschoftheid: “Sorry, maar ik hou niet zo van ABBA. Zou het afkunnen?” Nadat de man zijn opengevallen mond weer dicht heeft weten te krijgen, opent hij die weer om zijn excuses aan te bieden en zet hij de muziek af. Het blijft stil. Twee minuten. Drie minuten. Ik kijk eens om. Slechts één blik en ik kan een belletje horen rinkelen. Ring, ring. Ik had het kunnen weten, feitelijk wist ik op het moment dat ik mijn woorden uitsprak al wat er zou gaan gebeuren. Ik was verslagen, hij won de oorlog. Ik kon niet ontsnappen, zelfs al wilde ik – ik heb al mijn kaarten gespeeld, er valt niets meer te zeggen, er is geen aas meer te spelen. Starend naar het plafond van de trein wens ik dat ik ergens anders was. Ik had het kunnen weten – mensen die al niet in staat zijn om aan te voelen dat het uiterst ongepast en irritant is om luide muziek te spelen in de trein, zijn al helemaal niet gevoelig voor boodschappen als de mijne. De dikke onwelriekende man van middelbare leeftijd heeft na drie minuten door zijn telefoon te bladeren een volgende zeikhit gevonden waarvan hij denkt dat ik die wél kan waarderen. Wanneer ze de trein verlaten, wensen de mannen me nog een prettige reis toe. Ik heb medelijden met mijzelf, voel me stom en voel me klein. Mijn trein, dat weet ik zeker, verliet precies op tijd het station weer.
The winner takes it all
May 28th, 2010 · 4 Comments
→ 4 CommentsTags: Zonder rubriek
Niet uit m’n kop
March 19th, 2010 · 1 Comment
(Schrijfopdracht voor een cursus van de Honours Academy: column van 400 woorden.)
Het was de Volkskrant van 3 februari waarin voor het eerst sinds lange tijd weer echt nieuws gebracht werd. Wat zeg ik, nieuws – een openbaring, een paradigmaveranderend bericht. Naar aanleiding van de karrenvracht kritiek op de tekst van de Nederlandse songfestivalinzending, reveleerde Pierre Kartner alias Vader Abraham: “Ik had ook een slimme tekst kunnen maken, die door Neerlandici wordt gewaardeerd - dat kan ik, hoor! Ik heb er platen vol van, maar die heb jij niet, hè?”
Welwillend als ik ben, zal ik niet onmiddellijk ter discussie stellen hoe de beste man bij deze uitspraak komt. Mogelijkerwijs weet hij daadwerkelijk waar Neerlandici zich mee bezighouden, of kent hij er zelfs eentje. Om erachter te komen waar Vader Abraham de mosterd haalt, zullen zijn teksten aan een klein onderzoek onderworpen moeten worden.
Hier ligt echter al het eerste probleem. Teksten van Vader Abraham die potentieel dieper gaan dan gerijmel met het woord ‘waterkraan’, zijn slecht beschikbaar. Je zou kunnen stellen dat het feit dat geen uitgever ooit de moeite heeft genomen Vadertjes teksten te bundelen, al iets aangeeft over de literaire waarde hiervan. Het al dan niet in boekvorm uitgeven van liedteksten zegt echter niets: zo verkoopt het verzameld geneuzel van Frank Boeijen zeer goed en zal het ongetwijfeld niet lang meer duren totdat de pseudopoëzie van de grootste Bluffers uit Zeeland ook bijeen gebracht wordt in een bundeltje, terwijl het gros van de liedteksten die wél door Neerlandici gewaardeerd worden niet verder komt dan een afdruk in een cd-boekje.
Het tweede onderzoeksbelemmerende obstakel is de vaagheid over wélke platen dan precies gewaardeerd zouden worden door Neerlandici. Na enig googelen stuit ik op een lange lijst tekstuele hoogstandjes van Vader Abrahams hand: zeer beeldende titels van ‘Als je inlegkruisje maar goed zit’ tot ‘We hebben allemaal een neus’, maar het is natuurlijk wel erg gemakkelijk om zo op een voorbeeld te stuiten van een tekst waar zelfs de smurfen zich voor zouden schamen – zolang de heer Kartner niet concreet aangeeft welke platen het meeste vernuft tentoonspreiden, valt zijn uitspraak noch te onderschrijven, noch te ontkennen.
De kwestie gaat niet uit m’n kop, ik sta d’r ’s morgens mee op. Kartner doet er voor mijn gemoedsrust goed aan om te vertellen welk van zijn teksten ik zou kunnen waarderen. Al rest er natuurlijk altijd nog één mogelijkheid: het genie van Vader Abraham is zo onmetelijk groot dat Neerlandici niet in staat zijn het te herkennen.

